Het is net vakantie geweest. De kinderen zitten nog vol vakantieverhalen. Een mooi thema om mee aan het werk te gaan in de eerste of laatste schoolweken. 30 keer thema op reis vakantie. 

Thema op reis vakantie

Thema op reis en vakantie

Opening

1. Doe allerlei spullen in een koffer die met het thema te maken hebben. Spullen die je mee moet nemen, zoals een zwempak, slippers, een zomerjurkje en ondergoed. Maar ook schelpen, mooie stenen, vakantiekaarten en souveniertjes. Maak de koffer open in de kring en praat over de items. Waarvoor gebruik je de spullen? En waarom gaat het mee op vakantie.

2. Als je over een bepaald land wil werken, stop je daar allerlei spullen over in de koffer. Laat de kinderen raden over welk land je gaat werken.

3. Neem een tent mee de klas in. Zet deze in de klas op. Laat de kinderen helpen met de stokken. Tip: neem een heel snel uit te klappen tent mee.

Taal

4. Leg allerlei voorwerpen in de kring die met het thema vakantie te maken hebben. Een zwembroek, vakantiekaarten, zonnebril, schelpen, stenen, etc. Laat de kinderen allemaal een voorwerp pakken waar ze een zin over mogen zeggen.

5. Pak drie tasjes. Schrijf op een tasje: Wie? Op een: Waar? En op een tasje Waarmee? Stop in elk tasje een voorwerp wat bij de vraag hoort die je opgeschreven hebt. Bij wie bijvoorbeeld een poppetje, bij waar zand van het strand en bij wat een schelp. Laat de kinderen iets trekken uit alledrie de tasjes. Ze maken met de gekozen voorwerpen een mooie zin.

6. Laat de kinderen een verhaaltje maken met de voorwerpen in de kring, schrijf dit verhaal op en lees het voor in de kring (bijvoorbeeld tijdens het fruit eten). Dit kan ook bij een bijzondere steen of schelp. Wat voor reis heeft het afgelegd? En waarom ziet het er zo uit?

7. Herkennen de kinderen de voorwerpen? Laat ze vertellen waar ze de voorwerpen van kennen. Wat kunnen ze erover vertellen?

8. Maak een woordweb met de kinderen in het thema vakantie op reis. Zoek er samen plaatjes bij op de computer/digibord en plak deze erbij. Je kunt ook een woordweb maken over verschillende woorden van het thema. Je kunt ook items van de vakantie, zoals schelpen en zand opplakken op het woordweb.

Beginnende geletterdheid

Doel: Letterklanken herkennen

9. Laat de kinderen woorden die met vakantie op reis te maken hebben bedenken. Laat ze allerlei woorden bedenken met een bepaalde beginletter. Bijvoorbeeld de z van zand. Je kunt hier een woordspin met plaatjes van maken.

10. Laat de kinderen zoveel mogelijk woorden rondom vakantie en op reis opnoemen. Schrijf deze op en omcirkel de eerste letter van de woorden. Je kunt ze ook clusteren onder een bepaalde letter.

11. Als je een letter van de week hebt, kun je de kinderen deze letter laten leggen van schelpen.

12. Verzamel allerlei spullen die met het themate maken hebben, zie ook het onderdeel taal. Misschien willen de ouders van je klas je wel wat lenen? Maak samen met de kinderen groepjes van deze spullen met de beginletters. Leg deze beginletter er groot bij.

Doel: Positie van een letter in een woord oefenen. (de leerkracht ontleedt het woord) r-ei-s. Wat is de laatste letter? De middelste letter? Auditieve discriminatie

13. Verander de eerste, de middelste, of de laatste letter van woorden in het thema. Weten de kinderen welk woord je bedoelt? Maak bijvoorbeeld van het woord meis, in plaats van reis. Welk woord wordt bedoeld? En welke letter is veranderd?

14. Verzamel allerlei spullen die met het thema te maken hebben in de kring. Hak de woorden van de attributen met de klas. Oefen daarbij de positie van de verschillende letters.

Doel: Klankzuivere woorden ontleden, m-k-m –woorden, m-m-k-m of m-k-m-m. Hakken met de hand op de tafel van links naar rechts

15. Hak en plak allerlei woorden die met het thema te maken hebben. Je kunt hier een spelletje van maken. Hak en plak een bepaald woord. Kunnen de kinderen raden welk woord je hebt gehakt? Laat de leerling het woord hakkend en plakkend herhalen.

Doel: je eigen naam schrijven

16. Laat de kinderen kofferlabels maken met hun eigen naam erop.

Rekenen

Doel: Voorwerpen ordenen op basis van kenmerken: groot-klein, hoog-laag, meer-minder, dun-dik, smal-breed

17. Gebruik de voorwerpen die over het thema gaan uit het voorbeeld bij taal. Maak allerlei groepjes met de kinderen in de kring. Grote en kleine voorwerpen, hoge en lage, meer en minder, dunne en dikke voorwerpen en smalle en brede.

18. Welke eigenschappen en overeenkomsten kunnen de kinderen nog meer bedenken met de voorwerpen? Laat ze het in die groepjes leggen.

19. Vergelijk koffers met elkaar. Laat ze op goede volgorde leggen van klein naar groot.

Doel: Vooruit- en terugtellen vanaf verschillende startpunten t/m 20

20. Leg de voorwerpen van de kring op een rij. Tel deze met de kinderen vanaf verschillende startpunten.

21. Leg allerlei plaatjes van het thema op een rij. Tel deze vanaf verschillende startpunten. Je kunt hier de getallen bij leggen, voor het getalbegrip.

Doel: Koppelen van hoeveelheid aan hoeveelheid (leeftijd aan vingers, rondjes aan knikkers etc) en de cijfers

22. Maak groepjes van verschillende aantallen van materialen van het thema. Bijvoorbeeld 6 schelpen of vakantiekaarten. Laat de kinderen de juiste cijfers bij de aantallen leggen.

23. Geef de kinderen allemaal een aantal attributen van het thema, bijvoorbeeld schelpen. Laat ze iemand zoeken die 1 meer of 1 juist 1 minder heeft. Je kunt ze ook een cijfer vertellen of geven dat ze moeten zoeken.

Hoeken

Huishoek

24. Zorg voor zomerkleding: grote zonnehoeden, zonnebrillen en badkleding in de huishoek.

25. Maak een waterwereld van de huishoek.
Leg blauwe vuilniszakken op de vloer van de huishoek. Leg hier een aantal vissen op. Zorg voor hengels, visnetten en duikbrillen. Zet een schip op het ‘water’. Maak een mast van een stok met papier erom heen. Zet de vlag met een touw vast.

26. Zet elke week een land centraal en maak je huishoek in het thema van dat land.

27. Maak een grote vakantiekaart van je huishoek. Maak een berg, strand en de zee van karton en hang dat achter in de huishoek op. Laat de kinderen vakantiekiekjes van elkaar maken.

Bouwhoek

28. Laat de kinderen een berg bouwen tegen de muur van de bouwhoek.

29. Leg een groot vel blauw en een groot geel vel karton in de bouwhoek. Laat de kinderen zandkastelen bouwen op het ‘strand’.

Afsluiting

30. Maak een landfeest in de klas. Je kunt een bepaald land als thema aanhouden. Zorg dan voor lekkers in het thema van dat land. Bijvoorbeeld high tea bij Engeland. Speel spelletjes in het thema van dat land.

31. Houd een schelpenfeestje. Zorg voor genoeg schelpen voor iedereen. Koop schelp liksnoepjes, zorg voor grote schelpen om mee te spelen. En maak een schelpen cakeje dat de kinderen zelf mogen versieren.

32. Maak een kampvuur na van karton. Ga er in een grote kring omheen zitten. Zorg voor spekjes op een stokje, die je kunt ‘roosteren’. Pak je gitaar erbij als je dat kunt spelen en zing samen allerlei liedjes.

Meer lezen?

Spelen in de vakantie

35 keer spelend leren met schelpen

Werkbladen zomervakantie