(Door Deveney) In het vorige blog van de serie ‘De overgang van groep 2 naar groep 3’ schreef ik over het belang van spel. Vandaag kijken we naar de inzet van spel in de klas.

De stadia van spel

Spelontwikkeling kent verschillende stadia. Rond vier jaar beginnen kinderen met fantasiespel, rollenspel en constructiespel. In dit stadium begrijpen kinderen dat er verschillende rollen zijn, kunnen zij opgaan in deze rol en kunnen zij ook wisselen tussen rollen. Ook kunnen zij tussendoor even uit het spel stappen en even later verder gaan met het spel (Poel & Blokhuis, 2008). Kinderen kunnen spelend een eigen wereld ontwerpen en binnentreden. Deze wereld kan anders zijn dan de werkelijke wereld. Tijdens constructiespel bouwt of construeert een kind iets. Hierbij is het van belang dat opdrachten steeds moeilijker worden, zodat kinderen steeds meer worden uitgedaagd. Hierdoor leren kinderen probleemoplossend denken en kunnen zij oorzaken en gevolgen leren zien (Fournier, 2016). Rond vijf jaar kunnen kinderen een rol aannemen zonder dat daar bijbehorende materialen bij zijn. Dit wordt ook wel decontextualisatie genoemd. Kinderen kunnen bijvoorbeeld een dokter spelen zonder dat daar materialen voor aanwezig zijn. Naast decontextualisatie kunnen kinderen nu gebeurtenissen spelen die zij zelf nog nooit eerder hebben ervaren. Kinderen worden uitgenodigd tot het spelen van deze gebeurtenissen door bijvoorbeeld de aanwezigheid van een thema in de klas, zoals het thema ‘het ziekenhuis’. Rond zes jaar voegen kinderen regels toe aan het spel. Spel kan hierdoor een competitief element krijgen, zoals bij het spel tikkertje (Poel & Blokhuis, 2008). Hierbij leren kinderen wachten op hun beurt, zich aan regels te houden en omgaan met winst en verlies. Regelspel vereist meer intellectuele vaardigheden en is daarom de laatste spelsoort die tot ontwikkeling komt (Fournier, 2016). Vervolgens komt er verdieping in alle spelvormen. Fantasiespel is nog steeds erg populair, maar zal afnemen wanneer kinderen rond acht jaar zijn. Pas in de puberteit zal het fantasiespel echt verdwijnen (Poel & Blokhuis, 2008).

Lees ook: DE OVERGANG VAN GROEP 2 NAAR GROEP 3

Belangrijke factoren om tot spel te komen

Spel komt op gang onder bepaalde voorwaarden en omstandigheden in de klas. Deze hebben te maken met bepaalde factoren in de omgeving van het kind of met factoren van het kind zelf.

Lees ook: DE TRANSITIE VAN GROEP 2 NAAR GROEP 3 BEÏNVLOEDEN

De leeromgeving

Ten eerste is een belangrijke factor om tot spel te komen in de klas het bieden van een rijke leeromgeving. Hierbij is het belangrijk dat er veel ruimte voor spel aanwezig is. Echter is dit vaak niet het geval. Buiten is er vaak meer ruimte, maar worden er meestal weinig mogelijkheden tot spel geboden (Fournier, 2016; Janssen-Vos, 2009). Buitenterreinen waar kinderen allerlei soorten spel kunnen spelen, waar veel natuur is te vinden en waar kinderen zich ook kunnen terugtrekken, geven een ideaalbeeld van een rijke leeromgeving op de speelplaats (Caminada & Leenders, 1996, zoals beschreven in Janssen-Vos, 2009). Echter zouden er ook binnen de school meer ruimtes geboden moeten worden om tot rijke leeromgevingen te komen. Rijke leeromgevingen kunnen worden gemaakt door middel van hoeken in en buiten de klas. Het toevoegen van veel verschillende soorten verrijkende materialen is hierbij van groot belang (Janssen-Vos, 2009). Deze materialen moeten aansluiten bij het ontwikkelingsniveau van het kind en kinderen moeten de materialen zelf kunnen onderzoeken. Materialen kunnen er ook voor zorgen dat een thema of onderwerp tot leven komt. Ook is het belangrijk dat kinderen zich veilig voelen op deze plaatsen (Fournier, 2016).

Lees ook: DE OVERGANG VAN GROEP 2 NAAR GROEP 3 (DEEL 3): HET BELANG VAN SPEL

De leerkracht

Ten tweede is de leerkracht in de klas een belangrijke factor om tot spel te komen. Het is belangrijk dat kinderen worden geholpen om een beeld te vormen van wat zij met bepaalde materialen en in bepaalde activiteiten kunnen doen. Er moet dus van tevoren tijd zijn om samen te oriënteren op het spel. Hierdoor ontstaat ook de mogelijkheid om meer aan te sluiten op de interesses van de leerlingen door er samen over te praten. Vervolgens is het belangrijk dat de leerkracht tijdens het spel contact heeft met de leerlingen en dat er tijd is om aandacht te hebben voor de spelende leerlingen. Dit kan de leerkracht doen door mee te spelen in het spel en hierbij verdiepende vragen te stellen, waardoor leerlingen worden uitgedaagd. Na een tijdje kan het spel worden uitgebreid door andere vormen van spel toe te voegen. Dit zorgt voor meer uitdaging en verdieping in de stof. Naast het meespelen door de leerkracht kan de leerkracht het spel ook gebruiken om leerlingen te observeren. Hierdoor kan een leerkracht zien of een leerling meer begeleiding nodig heeft of juist meer uitdaging (Janssen-Vos, 2009). Observeren kan op het gebied van het spelniveau, de spelkeuze, de spelduur, interactie met klasgenoten en de spelkwaliteit (Poel & Blokhuis, 2008). Tenslotte is het belangrijk om het spel samen met de kinderen te evalueren. Deze evaluatie kan tijdens en na het spel plaatsvinden. Als kinderen gewend zijn aan het samen nadenken over hun activiteiten, kunnen discussies op gang worden gebracht. Hierin leren kinderen oplossingen bedenken. Ook zullen kinderen die de activiteit nog niet kennen nieuwsgierig worden naar de activiteit. Tijdens de evaluatie gaat het vooral om het vertellen van bijzondere momenten. Hierdoor wordt het geen dagelijks ritueel van het opsommen van ‘leuke dingen’ (Janssen-Vos, 2009). Door het evalueren kan de leerkracht ook achterhalen of er nieuwe materialen kunnen worden toegevoegd aan het spel. Hierdoor zorgt de leerkracht regelmatig voor een wisseling van materialen (Fournier, 2016).

Betekenisvolle activiteiten

Een laatste belangrijke factor is dat de activiteiten betekenisvol zijn voor jonge kinderen. Activiteiten zijn betekenisvol wanneer kinderen er graag aan deelnemen en er intens mee bezig zijn. Deze interesse leidt tot leren. Inzicht in de mogelijke betekenissen van spelactiviteiten is belangrijk, omdat activiteiten in het onderwijs niet alleen een persoonlijke waarde voor kinderen moeten hebben, maar ook een culturele waarde. De leerkracht zorgt voor verbinding tussen deze persoonlijke en culturele waardes. Om tot betekenisvolle activiteiten te komen moet een leerkracht naar de kinderen kijken, contact met hen zoeken en meedoen. Zo komt een leerkracht achter de interesses van de leerlingen en kan de leerkracht aansluiten bij de belevingswereld van deze leerlingen (Janssen-Vos, 2008). Een thema kan helpen om aan te sluiten bij de belevingswereld van de leerlingen. Door het inzetten van thema’s zullen kinderen worden uitgenodigd om bekende en onbekende situaties uit te spelen (Janssen-Vos & Pompert, 2003). Bij het thema ‘het ziekenhuis’ worden leerlingen bijvoorbeeld uitgenodigd om de rol van een dokter of een patiënt aan te nemen. Ook worden activiteiten betekenisvol door met andere leeftijdsgenoten te spelen. Kinderen spelen namelijk liever samen dan alleen (Fournier, 2016).

De volgende keer

De volgende keer zal ik overgaan op het onderwerp ‘thema’s’ bij de overgang van groep 2 naar groep 3.

Meer lezen / gebruikte literatuur
Fournier, M. (2016).
Janssen-Vos, F. (2009).
Janssen-Vos, F., & Pompert, B. (2003).
Poel, L. van der, & Blokhuis, A. (2008).

Uitgelichte foto: Shutterstock

BewarenBewaren

BewarenBewaren