In de Volkskrant las ik gisteren het artikel OESO: Nederlandse scholier ongemotiveerd, amper orde in klas, veel talent onbenut. Wat ik mij dan afvraag: hoe verhoudt passend onderwijs zich hier toe? 

Nederlandse klassen zijn onordelijk en rumoerig volgens OESO, Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling. Per saldo is het onderwijs goed, relatief veel Nederlanders (44% van de 25- tot 34-jarigen) hebben hoger onderwijs genoten. Het Nederlandse schoolsysteem is een van de beste van de OESO-landen. Sociaal zwakke leerlingen blijven langer binnen de school, het sluit goed aan op de Nederlandse arbeidsmarkt en scholen genieten veel onafhankelijkheid volgens OESO.

Toch zijn veel leerlingen ongemotiveerd. Tot 2008 was er geen ruimte voor excellente leerlingen. Nu zijn de programma’s er wel, maar toch blijft het onderwijs vooral gericht op de gemiddelde leerling.

Volgens minister Jet Bussemaker van Onderwijs komt het voort uit het gemis van uitdagingen. Volgens haar houdt ons systeem te weinig rekening met verschillen in leerlingen.

En daar wringt wat mij betreft precies de schoen. Want kijken wij ook niet altijd naar gemiddelden? Het begint al op het consultatiebureau. Je baby wordt langs de gemiddelde meetlat gelegd. Op voorscholen, peuterspeelzaal, kinderdagverblijven en op scholen gaat het verder met observaties en toetsen. Allemaal gericht op het gemiddelde kind.

Door passend onderwijs blijven meer kinderen binnen de reguliere school. Daar komt wel die rumoer vandaan denk ik. Ook heb ik minder tijd en aandacht voor het excellente kind in de klas.

We zouden beter opgeleid moeten worden om alle niveaus te bedienen. En niet alleen te kijken naar het gemiddelde kind. Want bestaat die eigenlijk wel?