Mijn zus (leerkracht in de bovenbouw) liet de naam Betsy van de Grift vallen. Ze zou veel over de breinontwikkeling van kleuters kunnen vertellen. Voor mij een schot in de roos. Review: Peuteren en kleuteren. 

Review: Peuteren en kleuteren

Ik vind het razend interessant, de breinontwikkeling. Zeker die van kleuters. Waarom doen we als leerkracht wat we doen? Doen we het goede? Hoe leren kleuters eigenlijk?

Het is weer even wennen, meer de diepte in gaan en me echt concentreren op het boek. Ik las dan ook een hoofdstuk per keer en legde het dan weer even weg. Vooraf aan het hoofdstuk staat een korte samenvatting met wat je uit het hoofdstuk kunt ‘meenemen’, een fijn handvat. Het lezen voelde als studeren, heerlijk eigenlijk. Fijn om je ergens in vast te bijten en te (blijven) leren. Ik heb nu zeker meer kennis over hoe kleuters leren.

Deel 1

In het eerste deel beschrijft Betsy van de Grift de verschillen tussen opvang en het onderwijs. Het gaat over de versnippering van de kinderopvang en dus ook over de verscheidenheid aan pedagogische aanbod.
Betsy van de Grift zoemt in op de geschiedenis van de kinderopvang en het onderwijs.

Deel 2

Hier was ik heel nieuwsgierig naar: De breinwetenschap en de breinontwikkeling van kinderen.

De breinwetenschap

De breinwetenschap is nog jong en heeft zich kunnen ontwikkelen door technologie, zoals de hersenscan. De ontwikkeling van het kinderbrein blijkt veel sneller te gaan dan gedacht, maar duurt ook langer. Tot ongeveer 23 jaar.
De breinwetenschap voegt een uitleg toe, een verklaring van wat we al wisten. Zo kun je zelfs meten hoe de hechting gemarkeerd wordt in het brein met chemische stoffen.

De ontwikkeling van het brein volgt de evolutie, alles draait om het overleven van de soort. Er zijn grofweg twee stadia: de aanmaak van de massa en vervolgens het aan het werk krijgen van de massa. Dit verloopt volgens 6 stappen die in het boek te vinden zijn.

Nature nurture

Waarschijnlijk is de breinwetenschap nog te jong om de nature-nurture vraag te beantwoorden. Biologische en genetische componenten zijn erg bepalend, maar omgevingsinvloeden ook.

Deel 3

Maar hoe werkt het brein van het jonge kind dan? In dit deel worden alle vroege functies, zoals de zintuigen en de cognitie aangestipt, met als laatste onderdeel de executieve functies.

De executieve functies ontwikkelen zich tijdens interactie met de omgeving. Pas rond het 15e levensjaar ontwikkelen ze zich pas echt. Het regelen en controleren van het eigen gedrag is dus van een hogere orde in het brein.

Bij jonge kinderen gaat de aandacht het snelst uit naar nieuwe dingen. Aan ons de taak om te concurreren met sterke(re) prikkels.
Wil je een kind leren concentreren, dan zul je de focus moeten aanbrengen of verleggen en het kind beetje bij beetje leren om afleidingen van buiten uit te sluiten.

Het brein van peuters en kleuters is nog niet erg slim. Ze kunnen nog heel veel niet. Ze zijn wel non stop bezig met ervaringen opdoen, hun brein hiermee te beschrijven en in die ervaringen patronen te ontdekken. Hun brein is extreem plastisch en leerbaar. Peuters en kleuters willen begrijpen hoe de wereld in elkaar steekt. Ze willen er beetje bij beetje eigenaar van worden.

Deel 4

We weten het meeste nog niet, omdat de breinwetenschap nog zo jong is.

Het opdoen van ervaringen levert het jonge kind informatie op. Daar wordt het brein beschreven en past het zich aan de omgeving aan.
Voor de ontwikkeling is goede en liefdevolle zorg en aandacht van de ouders of opvoeders nodig en een leeromgeving met afwisseling en prikkelende, op de ontwikkeling afgestemde ervaringen.

Jonge kinderen leren door repetitie (eindeloos hetzelfde boekje), imitatie (anderen nadoen) en door herkenning en onderscheid maken.
Ontdekken en spelen is hier heel belangrijk voor. Kinderen leren het meest als ze in de ‘flow’ in het spel zijn, als ze er helemaal in op gaan.

Oudste kleuters (rond 6 jaar) maken een stap naar bewust en denkend leren. Maar pas op 6- of -7-jarige leeftijd kan het brein cognitief leren aan.

Een kleuter van 5 jaar kan al binnenbreinleren, zelf in zijn hoofd informatie ophalen en overdenken. Ze zijn veelal bezig met betekenisgeving, de vragen worden bijvoorbeeld complexer. Je kunt het verbale redeneren oefenen door waarom- en hoe-vragen te stellen aan de hand van verhalen.

Deel 5

Hier worden de neuromythen over leren doorgenomen.

Deel 6

Hier vind je een theoretisch model Breinleren van het jonge kind.

Deel 7

Hierin staat een samenvatting, conclusie en aanbevelingen.
Het is een pleidooi voor meer onderzoek naar de juiste pedagogische aanpak en meer samenwerking tussen opvang en onderwijs. Een mooi streven, waar ik graag ook ouders aan toe voeg. Samenwerking tussen alle vlakken waar een kind zich begeeft, lijkt mij een   groot goed voor de ontwikkeling van het jonge kind.

Wat vind ik?

Ik vond het even pittig om het deel van de breinontwikkeling te lezen. Daar wist ik nog niets vanaf! Maar wat is het interessant om meer over te weten. Door dit boek kan ik voor mezelf meer onderbouwen waarom ik iets doe in de klas en waarom ik bepaalde zaken laat. Ik denk ook dat meer samenwerking tussen kinderopvang en onderwijs zinvol kan zijn. Maar de discussie over wat we kleuters leren en welke (leer)doelen ze dienen te halen, mag ook wel wat groter worden wat mij betreft. Met dit boek in de hand hebben we meer theoretische kennis over wat kleuters wel en niet (nog) kunnen leren.

Ik was na het lezen van dit boek nog niet klaar. Ik wilde nog meer weten, veel te interessant allemaal! Vandaar dat ik erna in ‘De lastige kleuter‘ ben begonnen waar een review over te lezen is. Peuteren en kleuteren is echt een aanrader voor kleuterleerkrachten die meer achtergrondinformatie willen over de breinontwikkeling van kleuters.

Bestel het boek hier

BewarenBewaren

BewarenBewaren