Door als ouder de juiste woorden te kiezen in alledaagse thuissituaties, leert je kind ontzettend veel extra. Zo geef je je kleuter een extra steuntje in de rug. Deze week het eerste blog in de serie Thuis leren: 20 leermomenten tijdens het opstaan

Thuis leren tijdens opstaan

Je helpt je kind in de ontwikkeling door het thuis te stimuleren. Vooral voorlezen en praten met je kind levert veel op. Dit blijkt uit een aantal onderzoeken. Zo gaat dit onderzoek in op de invloed van ouders op schoolprestaties. Er is een onderzoek naar betrokkenheid thuis. En een Amerikaanse studie gaat in op het effect van ouders op goede cijfers halen op school.

Natuurlijk leert het kind veel op school. Wellicht kan je kind iets al, of weet hij het na een keer laten zien. Maar door het te herhalen wordt het ingebed in het brein. Kinderen vinden het vaak juist prettig om zaken meerdere keren te horen. Je kind herkent het geleerde op school ook thuis en maakt het eigen.
Maar hoe doe je dat dan?

Deze week een blog over wat je kunt leren tijdens het opstaan.
Sommige onderdelen kosten wat meer tijd. Je zult op een drukke doordeweekse dag niet overal tijd voor hebben. Maar je kunt altijd wat dingen benoemen. Op de dagen dat je wat meer tijd hebt, ga je wat dieper op zaken in. Je kunt van ieder moment een leermoment maken. Soms is dat kort, als je haast hebt.

Wat je kunt leren tijdens het opstaan? 

Tijd/wekker

Met een wekker of een klok in de kamer kan je kind leren klokkijken. Voor kleuters zijn de hele uren belangrijk, voor groep 3 ook de halve uren. Voor kleuters is het belangrijk om het verband te leren tussen de tijd en de klok. Ze leren om gebeurtenissen in de juiste volgorde te plaatsen. En ze ontdekken de cijfersymbolen.

1. Laat de klok zien. Praat over de cijfersymbolen op de klok.
2. Praat met je kind over gebeurtenissen. Wanneer sta je op? En wanneer ga je naar bed?
3. Praat met je kind over het verloop van de ochtend. Waar begin je mee als je opstaat? Wanneer eet je je ontbijt en wanneer ga je naar school? Wijs daarbij op de cijfers van de klok.
4. Plan samen de dag. Praat met elkaar over wat je gaat doen die dag. Vertel welke tijden daarbij horen.
5. Praat samen over de tijd. Wat kun je in een bepaalde tijd doen? In een uur kun je bijvoorbeeld verfspullen pakken en een schilderij maken. Dit lukt niet in een minuut.

Aankleden

Tijdens het aankleden kun je het over veel rekenkundige begrippen hebben. Aan het eind van groep 2 moeten de kinderen het volgende kunnen: ze moeten voorwerpen kunnen groeperen op basis van vorm, kleur en grootte. De seizoenen van het jaar kennen. Links en rechts kunnen benoemen. En de tegenstellingen kennen, zoals warm – koud. Dit is belangrijk voor het voorwerpen kunnen orderen op basis van kenmerken.

Het weer

1. Praat over de seizoenen. In de zomer trek je kleding met korte mouwen aan en een korte broek of rok. Buiten kun je een pet dragen tegen de zon.
In de winter draag je vaak meerdere lagen over elkaar. Dan heb je een lange broek aan met een trui of een warme jurk met een maillot eronder. Buiten draag je ook nog wanten, een muts en een sjaal.
Als het regent in de herfst heb je regenkleding nodig. En in de lente kun je soms zonder jas, maar meestal heb je een zomerjas buiten aan.
2. Praat over het weer van vandaag. Wordt het warm of koud buiten? Op de dagen dat je wat meer tijd hebt, kun je eerst buiten voelen en je kind laten mee beslissen wat hij zal dragen. Je kunt ook samen naar een weerapp op je telefoon kijken en praten over de temperatuur die je daar ziet staan. Laat je kind vertellen welk cijfer er bij de temperatuur staat.
3. Pak samen de kledingstukken die bij het seizoen en het weertype horen.

Kleding klaar leggen

1. Tel samen hoeveel kledingstukken je kind vandaag zal dragen.
2. Praat over de kleuren van de kleding. Laat ook de kleurnuances zien, zoals een lichtblauwe broek en een donkerrode trui.
3. Kijk samen of de kleuren van de kledingstukken goed bij elkaar staan.
4. Praat voordat je kind zich aankleedt over de goede volgorde van aankleden. Met welk kledingstuk is het handig om te beginnen en waar eindig je mee? Komt je ondergoed als laatste, of juist je schoenen?

Kleding aantrekken

1. Praat tijdens het aantrekken van de kleding over de lichaamsdelen. Je doet nu je shirt over je hoofd. Pas op voor je neus! Trek je broek goed over je heupen. Bij je middel moet de knoop dicht.
2. Benoem tijdens het aankleden links en rechts. Je doet nu je linkerarm in de mouw. Je schoen moet aan je rechtervoet.
3. Laat je kind zichzelf aankleden. Laat zien hoe de kleding op de juiste manier aan moet. Sokken niet binnenstebuiten en knoopjes aan de voorkant.

Trap aflopen

Als je naar beneden gaat om te ontbijten, moet je de trap aflopen. Met de trap kan je kind goed leren tellen. Ook leert je kind de rangtelwoorden, belangrijk voor eind groep 2. Je kind moet dan tot en met 20 kunnen tellen. Als je meer tijd hebt, kun je met stickers cijfers op de trap plakken. Of geef elke tree een andere kleur met stickers.

1. Tel samen de treden van de trap. Kinderen leren goed tellen als er een beweging bij wordt gemaakt. Tel dus bij elke stap. Hoeveel treden heeft de trap?
2. Als je ook een zoldertrap hebt, kan je kind leren doortellen. De tussenstop onder het tellen is bij de hal en gaat bij de volgende trap weer verder.
3. Tel samen in sprongen van 2. Laat je kind twee treden tegelijk klimmen. Tel in 2-4-6-8-10, of in 1-3-5, etc.
4. Maak sommetjes tijdens het traplopen met je kind. Tel twee tredes bij elkaar op tijdens het lopen. Of sla er eens een over. Welke trede hebben jullie overgeslagen?
5. Geef je kind opdrachten met rangtelwoorden. Ga naar de derde tree. Sla de vijfde tree over. Stap van de eerste naar de derde tree. Welke tree heb je overgeslagen?
6. Als je stickers met cijfers op de trap hebt geplakt kun je je kind naar bepaalde cijfers laten lopen.
7. Geef elke tree een kleur met een sticker. Laat de kleuren oplopen van licht naar donker. Benoem de kleuren als je een traptrede raakt.

Meer weten over het belang van thuis leren? 

Hoe je je kind thuis vooruit helpt in de ontwikkeling

Het belang van spelen