Door als ouder de juiste woorden te kiezen in alledaagse thuissituaties, leert je kind ontzettend veel extra. Zo geef je je kleuter een extra steuntje in de rug. Deze week het tweede blog in de serie Thuis leren: 25 leermomenten voor onderweg

Thuis leren in het verkeer

Thuis leren: 25 leermomenten voor onderweg

Je helpt je kind in de ontwikkeling door het thuis te stimuleren. Vooral voorlezen en praten met je kind levert veel op. Dit blijkt uit een aantal onderzoeken. Zo gaat dit onderzoek in op de invloed van ouders op schoolprestaties. Er is een onderzoek naar betrokkenheid thuis. En een Amerikaanse studie gaat in op het effect van ouders op goede cijfers halen op school.

Natuurlijk leert het kind veel op school. Wellicht kan je kind iets al, of weet hij het na een keer laten zien. Maar door het te herhalen wordt het ingebed in het brein. Kinderen vinden het vaak juist prettig om zaken meerdere keren te horen. Je kind herkent het geleerde op school ook thuis en maakt het eigen.
Maar hoe doe je dat dan?

Deze week een blog over wat je kunt leren in het verkeer.
Sommige onderdelen kosten wat meer tijd. Je zult op een drukke doordeweekse dag niet overal tijd voor hebben. Maar je kunt altijd wat dingen benoemen. Op de dagen dat je wat meer tijd hebt, ga je wat dieper op zaken in. Je kunt van ieder moment een leermoment maken. Soms is dat kort, als je haast hebt.

Wat je kunt leren in het verkeer?

Cijfers op straat

Als je de deur uitstapt, zie je al overal cijfers. De huisnummers, nummerborden en verkeersborden met de snelheid erop. Je kind ontwikkelt daardoor getalbegrip en de nominale getallen (zoals huisnummer 4 en buslijn 9) kennen. Ook leert je kind tellen in sprongen van 2.

1. Laat de huisnummers zien. Praat samen over de cijfers. Welk cijfer heeft jouw deur? En die van de buurman?
2. Maak sprongen van twee. Dit kan goed door de huisnummers te laten zien en daarbij te tellen in de sprongen. 1-3-5-7-9-11 en 2-4-6-8-10, etc.
3. Laat de oneven en even getallen zien. Vertel dat de huisnummers aan de ene kant in even cijfers en aan de overkant in oneven cijfers staan.
4. Praat over de getallen van de huizen. Waarom hebben ze die volgorde? Bijvoorbeeld zodat de huizen goed te vinden zijn en je niet zo hoeft te zoeken.
5. Laat je kind bedenken wat het buurgetal van een bepaald huis is. Jouw huis heeft bijvoorbeeld het nummer 4, welk getal komt daarvoor en welke erna? En in huisnummers?
6. Tel de huizen in rangtelwoorden. Wijs de huizen aan. Begin bij je eigen huis: dit is het eerste huis. Dan komt het tweede, derde, vierde, etc.
7. Let op de buslijnen. Laat je kind noemen welke lijn de bus heeft, oftewel welk cijfer voor op de bus staat. 

Letters op straat

Je ziet overal letters op straat en in het verkeer. Aan het einde van groep 2 moet je kind 16 letters kunnen herkennen, zowel in schrift, als uitgesproken. Ze leren woorden ontleden in klanken en de eerste klank in een woord herkennen. Het is ook belangrijk voor ze om hun naam te herkennen en zelf te kunnen schrijven.

1. Kijk naar de straatnaamborden. Vraag welke letters je kind al herkent. Vertel welke letters er nog meer staan.
2. Vraag je kind welke letters in de straatnaamborden ook in zijn haar naam zitten.
3. Hak en plak klankzuivere woorden met je kind. Het woord stop van het stopbord wordt dan s-t-o-p. Je kind leert dit het beste door het voor-koor-door te hakken en plakken. Jij doet het hardop voor, daarna doe je het samen en als laatste hakt en plakt je kind het woord.
4. Kijk naar de eerste letter of klank van borden op straat. Noem de klanken hardop of laat je kind het uitspreken.

Oversteken

Bij het oversteken komt de ruimtelijke oriëntatie voorbij. Je kind leert links en rechts, ver en dichtbij en schuin en recht herkennen.

1. Kijk goed links en rechts met je kind voordat het oversteekt. Laat zien dat je bij de linkerhand de L van links ziet.
2. Vraag je kind of het vandaag schuin of recht wil oversteken. Laat daarbij zien wat schuin en wat recht is.
3. Als er een fietser of auto op dezelfde weg rijd, kun je praten over ver en dichtbij. Wat is dichtbij voor jou? Is dat anders voor je kind? Wanneer zou jij oversteken en wanneer je kind?
4. Bij het verkeerslicht moet je stoppen. Benoem dit naar je kind. Vertel wanneer je weer mag rijden of lopen.

Alles benoemen wat je ziet

Ik fiets veel met mijn zoontje. Hij is nieuwsgierig en wil alles weten. Ik benoem dus veel van wat ik om me heen zie. Ik merk dat zijn woordenschat daardoor sterk wordt vergroot. Hij is ook nieuwsgierig en wil alles weten. Daar ga ik graag op in. Kleuters moeten aan het eind van groep 2 2000 woorden kennen.

1. Benoem dus alles wat je ziet. Dingen die voor jou vanzelfsprekend zijn, zijn dat niet altijd voor je kind. En natuurlijk kun je ook de gekke of afwijkende dingen om je heen benoemen.
2. Lees de borden en de teksten op de huizen voor die je onderweg tegen komt.

Rijmen

Op allerlei woorden die je ziet op straat kun je rijmen, belangrijk voor kleuters. Ze moeten kunnen horen of iets rijmt en zelf een rijmwoord kunnen bedenken.
1. Rijm samen met je kind op woorden die je op straat ‘vindt’.
stoep-poep
straat-vaart
fiets-niets
bord-kort
2. Maak een versje met rijmwoorden erin. Laat je kind de zin afmaken en dus het rijmwoord bedenken.
Bijvoorbeeld:
Er is pech op de weg.
De fiets doet niets.
Het stuur staat tegen de muur.
De trapper maakt een klapper.
De meid glijdt.
Ze valt op het asfalt.

Kleuren

Kleuters moeten eenvoudige kleuren herkennen en benoemen. Op straat zijn veel kleuren te vinden.

1. Benoem de kleuren van de auto’s. Benoem hier ook de kleurnuances, zoals licht en donker.
2. Maak een lijst met alle kleuren en scoor een kleur op je lijst als je een auto in die kleur ziet. Wie heeft als eerste het lijstje vol?
3. Match de kleuren. Zoek bijvoorbeeld twee dezelfde kleuren huizen. En zoek welke twee auto’s dezelfde kleur hebben.

Meer weten over thuis leren? 

Thuis leren: 20 leermomenten tijdens het opstaan

Hoe je je kind thuis vooruit helpt in de ontwikkeling

Het belang van spelen

Hoe je je kind thuis aan het lezen krijgt. Tips per leeftijdscategorie