(Door Astrid) Die vraag lees je vaak op internet terug. Wat te doen met woordenschat? Hoe vraag/krijg je aandacht in de klas (maar ook thuis) voor het uitbreiden van de woordenschat. 

Woordenschat

Lezen en praten

Waarschijnlijk weet iedereen wel dat het helpt om voor te lezen en kinderen ook zelf te laten lezen. Het helpt ook om samen te praten, al van kleins af aan.
Praat met je baby en peuter en wijs aan, benoem en herhaal, herhaal, herhaal. Zoveel mogelijk en zo vaak mogelijk.
De dialoog aangaan met de kinderen maar ook de kinderen onderling.

Hoeken

In de klas praat je veel met elkaar en bij de peuters/kleuters hebben we de diverse hoeken waarin de kinderen door middel van rollenspel ook met elkaar praten. Zo zijn ze met spel en woordenschat bezig.

Woordenschat op school

Iedere school gaat er daarnaast anders mee om om nog meer aan de woordenschat te doen.

Met woorden in de weer

De afgelopen paar jaar heb ik regelmatig gebruik gemaakt van “Met Woorden in de Weer”
Bij ieder thema maakte ik dan rondom een bepaald woord of woordengroep een woordparaplu of een woord’kast’ of woordweb.
Woorden die geassocieerd worden met dat woord.

Woordweb

Afgelopen week maakte ik een woordweb/spin rondom groentensoep.

Wat hoort er in groentensoep?
– de wortel, de bleekselderij etc…
De lidwoorden hebben een andere kleur dan het woord zelf.
De groenten had ik ook meegenomen en eerst liet ik ze zien, benoemde de groente en vroeg daarna aan de kinderen of ze dé bleekselderij ook konden vinden op het woordweb.
Vervolgens mocht een van de kinderen het komen aanwijzen en ook weer benoemen.
Door het samen te bekijken, concreet materiaal te gebruiken en dat te vertalen naar het plattevlak op het woordweb proberen we om de woorden te onthouden.

Woordparaplu

Ook maakten we samen op het digibord een woordparaplu: “bestek” en “kookgerei”
Wat hoorde daar dan bij?
Om soep te eten gebruikten we: de lepel
Om de groenten te snijden gebruikten we: het mes
Om de soep in de soepkom te scheppen gebruikten we: de soeplepel
Tijdens het soepkoken gebruikten we: de pollepel
Maar ook: de snijplank, de maatbeker en de weegschaal

Prentenboek

Natuurlijk kun je ook bij een prentenboek of ander thema een woordspin of woordweb maken. Het hoeft niet heel ingewikkeld te zijn. De woorden moeten niet te makkelijk zijn maar ook zeker niet te moeilijk.

Seizoenen

Je kunt een woordweb maken over de seizoenen maar wat hoort er bijvoorbeeld bij de herfst? de regen, de bladeren, de kale boom
Of wat neem je mee naar buiten? wat trek je dan aan? de regenjas, de poncho, de paraplu, de kaplaarzen

Bij de woordwebben/woordspinnen/kasten/trappen gaat heel veel initiatief uit van de leerkracht. Alhoewel ik het toch ook steeds meer met de kinderen samen probeer te doen.

Mindmappen

Van Rianne Hofma had ik vorig jaar tijdens een inspiratiedag van Kleuteruniversiteit een workshop over Mindmappen.
“Een mindmap is een visueel diagram wat gebruikt wordt om informatie vast te leggen en te organiseren op een manier die past bij hoe onze hersenen van nature werken’ (citaat Tony Buzan). ”

“Het structureren van de informatie waarbij het verwoorden, redeneren en beargumenteren door leerlingen een belangrijke rol speelt, maakt dat leerlingen de informatie beter begrijpen en onthouden.”

4 takken

Een mindmap heeft over het algemeen 4 ‘takken’
Het onderwerp staat centraal, bijvoorbeeld een prentenboek.
Vervolgens kom je tot: Het probleem, wie, waar en de oplossing.
Niet alle onderdelen hoeven of moet je in 1 les willen proppen. Dat gaat haast niet. Maar door herhaling en het terugvragen en verwoorden kom je tot gesprekken, antwoorden en vragen en oplossingen.
Met je groep maak je een mindmap en maak je het visueel om het daarna weer te kunnen bespreken.
Het kost zeker wat tijd maar je geraakt er wel meer bedreven in, hoe meer je het doet en ook de leerlingen.
De betrokkenheid (zo is mijn ervaring) wordt heel groot.

Hoe werk jij aan de woordenschat?