Het is 8.25 uur. Een koddig jongetje stapt ferm de klas binnen. Het is zijn eerste wendag in de kleuterklas. Meestal spannender voor de ouders dan voor het kind. ‘Je kunt wel gaan mama’. 

Het is de eerste wendag van deze bijna 4-jarige jongen. Hij geeft me een hand en zegt heel netjes ‘Dag juf Astrid’. De naam van mijn duo. Heeft hij alvast een juf onthouden, score!

Ik pak een stoeltje voor hem. ‘Maar juf, ik wil graag eerst weten waar de wc is.’ Natuurlijk, de eerste zorgen van een beginnende kleuter. Wat als je supernodig moet plassen en je niet weet waar de toiletten zijn?

Na het showen van het sanitaire gedeelte (gelukkig bij ons om de hoek) vertel ik dat hij mag zitten waar hij wil. ‘We hebben inloop en dan mag je een tafel kiezen waar je wilt werken.’
‘Mama, mag ik met de klei?’ ‘Nee’, zegt zijn moeder. ‘Daar kun je nu niet mee spelen, dat ligt in de klas. Nu moet je een werkje aan tafel doen.’
De kleine man draait zich om en stapt op me af.
Hij vraagt hetzelfde: ‘Mag ik nu met de klei?’
‘Je hebt wel goed gezien dat er klei ligt op de middelste tafel’, zeg ik glimlachend (slimmerd, denk ik, je moeder niet). ‘Ja daar mag je mee spelen.’ Er ligt nog wat Frozen klei op de tafel en de jongeman begint er voorzichtig in te duwen.

Zijn moeder vraagt of het normaal is dat zij het spannender vindt dan haar zoon. ‘Ja, dat heeft elke moeder.’
De kinderen spelen nog wat verder en moeder speelt met de jongen mee. Nog voordat de bel gaat dat de ouders moeten vertrekken, zegt de jongeman tegen zijn moeder ‘Je kunt wel gaan mama’. Moeder druipt glimlachend, maar enigszins beteuterd af. Ze gaat naar huis.
Die jongen red het wel.