Daar zitten we dan. Met onze grote volwassen lijven op die te kleine kleuterstoeltjes. We zijn beiden lichtelijk nerveus. Jij omdat het over jouw kind gaat, ik omdat ik het toch altijd spannend vind om het te mogen vertellen. 

Ik sla het rapport open, daar gaan we dan. Ik vertel over hoe hij  zo goed zelf gebouwen bedenkt bij de Kapla. Hoe zij zo goed kan dansen als ik ‘Mister Policeman’ aanzet. Hoe hij zoveel is gegroeid dit jaar. Over hoe zij zo leuk komt vertellen over wat ze thuis allemaal mee heeft gemaakt. Dat hij eigenlijk al heel goed kan lezen. En zij heel goed in rekenen is.

Maar ook over zijn strubbelingen, over de moeite die zij moet doen om de kring te volgen. Dat het voor haar soms moeilijk is om contact te maken met andere kinderen. Over de invloed van de veranderingen thuis op hem. En vooral over hoe we samen jouw kind verder kunnen helpen.

Tijdens het gesprek zie ik de trots in je ogen. Wat een mooi kind heb je toch. Je beaamt de talenten van je kind. We lachen samen om grappige voorvallen in de klas. ‘Weet je nog?’  Je vertelt verhalen over thuis en samen knikken we tevreden. Wat een mooie kwaliteiten heeft jouw kind toch!

En nu gaat je kind naar groep 3. We hebben allemaal ons best gedaan om een goede basis mee te geven. Om te zorgen voor een goede start in een nieuwe klas, bij een nieuwe leerkracht in groep 3.

Wat zal ik zijn humor missen en haar lieve knuffels. Ik hoop dat ze af en toe nog binnen hoppen in mijn kleuterklas om iets te lenen (lees nog even een grapje te maken of een knuffel te komen brengen) of die ene leuke sticker uit dat mooie doosje te komen halen die bij mij altijd in de juffenkast staat.

En onze gesprekken? Daar denk ik met een fijn gevoel aan terug. Ik ben dankbaar dat ik een onderdeel in het leven van jouw kind heb mogen zijn.